vrijdag, 28 januari 2011 19:36

DIT WAS ÉÉN VAN DE DINGEN DIE MIJ TOEN AANZETTE OM OP TE KOMEN VOOR DE BELANGEN VAN DE MARRONS

 

             Een interview van Anouska Kock met André R.M. Pakosie,                    kabiten van de Ndyuka Marrons in Nederland

(16 mei 2010)

Zie ook: Abeng Central

 

Meneer Pakosie, bedankt voor uw medewerking aan dit interview. In de loop der jaren heeft u zich gevestigd als een toonaangevende figuur in de documentatie van Marron geschiedenis en cultuur. U hebt ook veel bereikt op het gebied van Marronbewustzijn. U was amper 19 jaar toen u 10 oktober uitriep tot Dag van de Marrons. Wat waren de belangrijkste invloeden in uw leven op dat moment?

komfo

Vanaf kind voelde ik mij aangetrokken tot oudere mensen en raakte geïnspireerd door hun verhalen over de vrijheidstrijd van de voorouders van de Marrons. Van die oudere mensen leerde ik heel veel over de cultuur en geschiedenis van de Marrons, de vroegere onderworpen mensen, die zich wisten vrij te vechten van de slavernij en de slavenmacht wisten te dwingen hun vrijheid en menselijke waardigheid te erkennen, middels het tekenen van vredesverdragen met hen. Ik ben daarop trots. Toen ik onderwijs volgde en geschiedenislessen kreeg, merkte ik dat de Marrons in de geschiedenis-boeken afgeschilderd werden als brand-stichters, plunderaars, enzovoort. Terwijl het mensen waren die het onrecht-vaardige gezag van anderen weigerden te accepteren en voor hun vrijheid vochten. Ik vond de geschiedenisboeken van toen een vorm van mentale slavernij, om een volk te leren om zijn helden te zien als misdadigers. Ordinaire Nederlandse zeerovers zoals Michiel de Ruyter, werden ons toen voorgeschoten als onze helden. Een ergere manier om een volk te vernederen bestaat niet.

Ik ging pas met mijn tiende jaar naar school. Tussen mijn tiende en twaalfde jaar bezocht ik in Albina in het district Marowijne een christelijke school, er was daar immers geen openbare scholen. Op een christelijke school kreeg je veel Bijbelse lessen en leerde men je om je eigen cultuur te verloochenen. Ik wilde toen zelfs predikant worden. Maar mijn interesse voor mijn cultuur bleef. In 1968 verhuisde ik vanuit Albina naar Paramaribo voor vervolg-onderwijs. In Paramaribo zag ik hoe kinderen uit de districten, vooral jongeren uit het binnenland, op grote schaal gediscrimineerd werden door hun leeftijdsgenoten uit Paramaribo. Met name had dit op Marronjongeren uit het binnenland een averechtse werking. Zo durfden Marronkinderen op school geen vingers op te steken voor een lees- of spreekbeurt in de klas, uit angst dat zij fouten zouden maken en uitgelachen en getreiterd werden door hun stadse klasgenoten. Dit was één van de dingen, die mij op mijn jonge leeftijd toen - ik was toen dertien jaar oud -, aanzette om op te komen voor de belangen van de Marrons. Ik richtte een organisatie, ABJO, (Algemene Binnenlandse Jongeren Organisatie) op en zette een bewustwordingsproces van Marronjongeren opgang. Zo is mijn strijd op jonge leeftijd begonnen voor de positieverbetering van de Marrons. Ik wilde ook geen predikant meer worden. Ik zag in dat de kerk, het christendom, je leerde om neer te kijken op je eigen cultuur en om onderdrukking en onrecht te accepteren, zoals zij dat met de Afrikaanse voorouders in Suriname deden in de slavernijperiode.

Voor mij is het christendom het kwaad dat de Afro-Surinaamse cultuur kapotmaakt en mensen leert onrecht te accepteren als een lot en zich daarin te berusten. Ik keerde het daarom vanaf mijn dertiende jaar de rug toe.

In het kader van het bewustwordingsproces nam ik in 1969 het initiatief om te werken aan de instelling van een dag, de Dag van de Marrons, waarop Marrons de strijd van hun voorouders voor vrijheid en acceptatie zouden kunnen vieren. In 1974 werd deze dag geproclameerd. Ik ben blij dat dit initiatief in Suriname uitgroeide tot een nationaal gebeuren. Niet alleen Marrons maar steeds meer Surinamers zien het belang ervan in, althans zij nemen massaal aan deel. Deze dag wordt ook gevierd in Frans-Guyana en Nederland, landen met een grote concentratie Marrons. Je ziet, dat wat je vandaag in je eentje doet, morgen door duizenden kunnen worden over-genomen en voortgezet.

U heeft veel bereikt en ook veel gepubliceerd. Wat voor doelen heeft u nog voor de toekomst?

Ik ben van mening dat je taak pas volbracht is als je hetgeen waarvoor je strijdt, volledig hebt bereikt. Veel is al bereikt met de strijd, die ik begon. Bijvoorbeeld, de Marroncultuur maakt nu volledig deel uit van de Surinaamse cultuur. De Marronklederdracht wordt door iedereen in Suriname en ook door niet-Surinamers gedragen. Marrons participeren nu volledig in de Surinaamse samenleving. Zij pakten hun kansen op het gebied van onderwijs en werk-gelegenheid. Er zijn Marron academici en Marrons zijn nu in alle sectoren te vinden, ambtenarij, onderwijs, politie, gezondheidszorg (verpleeg-kundigen, artsen), advocatuur. Ook op alle bestuurs- niveaus van het land zijn zij nu te vinden: bestuursdienst (bestuursopzichters, district-secretaressen, districtscommissarissen), dienst-hoofden, diplomatieke dienst (consulgeneraals, ambassaderaad, ambassadeurs), parastatale- en departementsdirecteuren, ministers, enzovoort. Kortom, Marrons hoeven zich niet meer buitengesloten te voelen, vanwege hun Marron zijn. De strijd die mijn generatie in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in Paramaribo moest voeren tegen discriminatie en voor acceptatie, is daarom niet meer nodig. Marrons en niet-Marrons kunnen en moeten zich nu zij aan zij inzetten voor de ontwikkeling van hun land. Toch is hiermee nog niet alles bereikt. Er moet nog veel bereikt worden, er is nog veel te doen om de achterstanden weg te werken, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs in het binnenland. Onze mensen in het binnenland, maar ook het totale Surinaamse volk, moeten nog geleerd worden om het eigene te waarderen. Men moet ook leren om te reflecteren: om vóór elke nieuwe stap, even stil te staan, terug te kijken naar waar je begon, en waar je nu staat om dan van daaruit de verdere stappen te zetten, de verdere toekomst te bepalen. Kortom, je moet jezelf kennen, je cultuur, je geschiedenis, je land. Wie niet weet wie hij is, is als een mens zonder naam. En een mens zonder naam is in sociaal en psychologisch opzicht minder dan een volledig mens.

De Surinaamse samenleving moet ook geleerd worden om kritiek te leveren, als dat nodig is, maar ook om in voorkomende gevallen samen te werken.

Wat betreft mijn huidige activiteiten. Sinds 2005, bij mijn vijftigste verjaardag, heb ik een groot deel van mijn activiteiten afgestoten. Niet omdat de taak was volbracht, maar omdat ik mijzelf en mijn gezin had beloofd dat ik vanaf mijn vijftigste het rustiger aan zou gaan doen. In al die jaren had ik namelijk niet genoeg tijd voor mijzelf en mijn gezin. Niet dat ik nu wel genoeg tijd heb, maar in ieder geval heb ik meer tijd. En er zijn nu genoeg Marrons die de strijd daar waar nodig kunnen voortzetten. Ik houd mij nu voornamelijk bezig met het vastleggen en documenteren van en het publiceren over de Marroncultuur en geschiedenis, en wel vanuit de visie van de mensen zelf. En ik houd mij ook bezig met kennisoverdracht en advisering. Daarnaast ben ik kabiten van de Ndyuka Marrons in Nederland. Dat vergt ook heel veel van mijn tijd.

U bent van huis uit een fytotherapeut, een kruidengenezer. Hoe verkrijgt iemand de kennis die u opdeed? Met andere woorden, kunt u iets vertellen over uw opleiding?

Ik ben geboren en voor een groot deel opgegroeid in het tropische regenwoud van Suriname. De eerste lessen, die je als kind in die tijd van je ouders en de gemeenschap kreeg, waren dat het oerwoud onze apotheek is, onze voedsel-voorraad, ons huis. Om daarin te kunnen leven, werd je geleerd om in harmonie te zijn met de natuur, met de dingen om ons heen.

Gebruik te maken van de natuur zonder deze te vernietigen. Respect te hebben voor de natuur. Het was een voorwaarde om te kunnen overleven in die natuur. Als kind werd je al heel vroeg medicinale plantenkennis bijgebracht op EHBO niveau. Men leerde je hoe planten te herkennen en toe te passen. Elk deel van het bos heeft zijn eigen planten. De planten dicht bij de dorpen zijn anders dan de planten, die diep in het bos groeien. Vanaf ongeveer je vijfde jaar ga je met je ouders mee naar de kostgrond en dat is een heel eind lopen. Daar beginnen de eerste praktijklessen. Je leert welke vruchten niet eetbaar zijn en welke giftig. De eetbare vruchten komen ook aan de orde. Een van de eerste namen die ik leerde als kind van mijn vader was de Maipaboom, ofwel Maripa. Wij kwamen deze boom onderweg naar de kostgrond tegen, en mijn vader - een gerenommeerde plantenkenner en natuurgeneeskundige -, kapte een paar rijpe trossen met vruchten van de boom en liet mij deze proeven. Hij leerde mij ook meteen alle eigenschappen van deze boom. Van de bladeren maakt men onder andere dakbedekking, de pitten leveren spijsolie, de vruchten worden gegeten en de wortels zijn medicinaal te gebruiken. De Maipaboom is voor ons dus multi-functioneel.

Vervolgens leer je de planten herkennen, die je als een antidotum kan gebruiken in het geval dat je toch in aanraking komt met giftige planten.

Tijdens dit leerproces leer je ook welke planten je kan gebruiken om jezelf in leven te houden als je verdwaalt in het bos. Welke plantensappen je kunt drinken bijvoorbeeld als je dorst heb.

Op de kostgrond leer je van je moeder de gewassen, die als voedingsbron dienen en ook over hun groeiwijze. De bittere en zoete cassave, nyamisi (yams), napi, bananen, rijst, bitawiri, makoko, mais, ananas enzovoort. Vrouwen bezitten ook de specifieke kennis van de kruiden, die toegepast worden bij vrouwenklachten, kraam- en kinder-verzorging. De meisjes vooral kregen deze kennis mee van hun moeder. Tot je twaalfde jaar kreeg dus elk kind die toen in het regenwoud geboren werd en opgroeide, in zijn opvoeding de nodige kennis op EHBO-niveau meevan voedzame en medicinale planten voor de dagelijkse verzorging en bij lichamelijk en geestelijk ongemak. Vanaf je twaalfde jaar mocht je kiezen waarin je opgeleid wilde worden. Ik koos voor het geneeskundig beroep, deesiman (geneeskundige). Om te zien of je geschikt was voor het beroep van deesiman, keek men onder andere naar je motivatie, onthoudingsvermogen, analytisch vermogen, leergierigheid, standvastigheid en integriteit. Achtte men je geschikt en gaf jezelf ook aan dat je interesse had voor dit beroep, dan gingen in eerste instanties je ooms, tantes en anderen binnen de familie zich bezighouden met je vorming op dat gebied.

Hun kennis op het gebied van kruiden en het behandelen van ziekten werd zo aan jou overgedragen. Deze vorming duurt tot circa je zestiende jaar. Je bent dan basisgenezer op familieniveau en/of dorpsniveau. Vanaf je zestiende kun je kiezen voor een specialisatie, zoals het behandelen van botfracturen en kneuzingen, verlammingen, inwendige ziekten, mannenklachten, vruchtbaarheidsstoornissen, enzovoort. Je komt dan in de leer bij specialisten, ook van buiten je familiekring. Na de specialisatie ben je genezer op nationaal niveau. Ik verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat mijn vader die geneeskundige was, ook dieren-genezer was. Zo leerde ik ook, om naast mensen, dieren te behandelen met gebruikmaking van planten en om middels kruiden honden af te richten om te kunnen jagen.

Specialisatie in een of meer disciplines was een zware opgave. Elke keer weer werd je door de leermeester of leermeesters op de proef gesteld om je geschiktheid te testen. Het leerproces was ook niet aaneensluitend. Het kon jaren duren, voordat je leermeester(s) je bekwaam genoeg vonden om je alles te leren wat zij nodig achtten. Na verschillende praktijkexamens was het de leermeester(s) die aan de gemeenschap bekend maakte, dat je vanaf die dag bevoegd genezer bent en dat hij je geschikt achtte voor het ambt. Dit betekende ook dat je als genezer uiterst zorgvuldig je ambt zou uitoefenen. Je moest daarvoor ook een eed afleggen.

Het beroep van deesiman is niet eenvoudig, het vereist deskundigheid. Het is een sabi, een wetenschap. Het eist diepgaande kennis van kruiden en nauwkeurig werken. Wie niet bereid is om eerst de nodige kennis op te doen en de nauwkeurigheid te betrachten, is niet geschikt als geneeskundige. Naast de feitenkennis - kruidenleer, receptenleer, bereidingstechnieken, ziekteleer, behandelingsleer -, moet je ook goed kunnen observeren, luisteren, mensenkennis hebben, een groot incasserings-vermogen hebben, integer zijn en de bereidheid om je te blijven verdiepen in je vak. Ik zit zelf al meer dan dertig jaar in dit vak en ik leer elke dag weer bij. Ik heb ook veel geleerd van andere culturen, die de geneeskunst ook op een traditionele wijze beoefenen. Ik heb bijvoorbeeld technieken bijgeleerd, die wij (Marrons) niet kenden. Ik heb in Amerika bijvoor-beeld, technieken bijgeleerd om de traditionele plantaardige gezondheids-producten langer houdbaar te maken. In Nederland volgde ik een drogisten-opleiding en een opleiding Klinische Psychologie van de FZP (Federatie van Zelfstandige psychologen). Ook volgde ik trainingen in Hong Kong, de Volksrepubliek China, Thailand, India, Ghana en Nigeria.

Kruidengenezers zijn algemeen bekend en geaccepteerd in Suriname, waar mensen van uiteenlopende afkomst zonder problemen de hulp inroepen van professionals buiten het ‘westerse’ medische veld. Wie zijn uw cliënten in Nederland, een land dat bekend is om zijn voorkeur voor ‘westerse’ geneeskunst? Hoe vaak en in welke mate moet u zich uitleggen aan het Nederlandse publiek?

Ik kwam in 1987 naar Nederland en in 1991 officieel gestart met mijn geneeskundige praktijk, Fytotheek Pakosie. Maar al na drie weken van mijn aankomst in Nederland in 1987 deden verschillende instellingen een beroep op mij om lezingen te verzorgen, voor advies, onderzoek te verrichten of behandelingen te geven. Mijn eerste opdracht kwam in 1987 vanuit het Ministerie van Justitie. Daarna vanuit verschillende psychiatrische inrichtingen in heel het land. Ook werd ik gevraagd om gastcolleges te verzorgen, onder ander aan de medische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Ik verzorgde twee achtereen-volgende jaren tussen 1988 en 1991 gastcolleges voor vierde jaarstudenten van deze faculteit. De tussentijd gebruikte ik om het veld te verkennen om een eigen natuurgeneeskundige praktijk op te zetten. Ik bestudeerde daartoe de regelgeving op dit gebied, volgde cursussen, onder andere in de bedrijfsvoering, de drogistenopleiding en bij de FZP (Federatie van Zelfstandige Psychologen) de cursus Klinische psychologie. Met name deze cursus stelde mij beter in staat om opdrachten van psychiatrische inrichtingen en Justitie (gevangeniswezen), waarbij ik ook psychologische en/of psychiatrische rapporten over cliënten moest lezen, beter te begrijpen en om mijn eigen onderzoeksresultaten beter te vertalen in mijn schriftelijke rapportages naar de opdrachtgevers toe.

In 1989 kreeg ik een aanbod van een Nederlandse huisarts in Amsterdam om praktijk te houden in zijn huisartsenpraktijk. Dit deed ik tot ik in 1991 mijn eigen praktijk in Utrecht startte. In het begin maakten alleen Surinamers, Antillianen en Arubanen gebruik van mijn diensten, maar daarin kwam gauw verandering. Ook anderen, waaronder witte Nederlanders weten hun weg te vinden naar mijn praktijk. Gemiddeld 25 procent van mijn cliënten-bestand bestaat uit witte Nederlanders. Ik hoef bij de witte Nederlanders en de andere niet-Surinaamse cliënten geen extra uitleg te geven over mijzelf en mijn geneeswijze. Zij willen gewoon hulp en zoeken die daar waar zij het kunnen vinden. Ik ben van mening dat ziekte geen vaderland kent en dus geneeskunde ook niet. Elke cultuur heeft zijn eigen manier om ziekte, of wel de zieke mens, te behandelen. Elke geneeswijze is daarom toepasbaar op een ieder die ziek wordt, ongeacht zijn ras, geloof en cultuur. Mensen van verschillende etniciteiten vinden zonder probleem de weg naar mijn praktijk.

Gezien de tradities binnen uw familie, is het aannemelijk dat een van uw eigen kinderen u zal opvolgen als natuurgeneeskundige?

Dat was mijn wens, maar ik moet de realiteit ook onder ogen zien. De tijd waarin ik geboren werd en opgroeide in het tropisch regenwoud, verschilt met de tijd waarin wij nu leven. Zelfs als een kind van nu in de voetsporen van zijn vader of moeder zou willen treden, dus een Marron traditionele kruiden-geneeskundige zou willen worden en dus in de leer zou gaan, dan toch zal hij door de huidige leefomstandigheden niet in staat zijn om een gelijkwaardige opleiding te volgen zoals ik die kreeg. Ik woon niet meer in het regenwoud met mijn kinderen. Als zij dat zouden willen, kunnen zij alleen de behandelingsmethoden, de technieken en het bereiden van de kruidenpreparaten leren. Bij mijn eigen opleiding kwam nog veel meer kijken, zoals kruidenidentificatie, kruiden verzamelen, enzovoort. Die kruiden vind je alleen in het tropische regenwoud. Alleen daar kun je leren om deze te identificeren en te verzamelen. Een gevestigde genezer moet minstens vijfhonderd verschillende planten kunnen identificeren en kennis hebben van hun toepassingen. Dat leer je niet in een paar dagen, en niet buiten het regenwoud. De omstandigheden voor jonge Marrons in Nederland om een volledige opleiding in de traditionele kruidengeneeskunde te volgen, is vooralsnog niet mogelijk. Ik ben blij dat in ieder geval mijn jongste dochter toch een opleiding in de medische richting doet, namelijk Apotheker-sassistente.

Hoe vaak bezoekt u Suriname?

Vanaf 1992 ga ik bijna elk jaar naar Suriname, vooral naar mijn geboortestreek in het regenwoud. Ik verzamel kruiden en wissel kennis uit met oudere mensen.

U wordt door velen beschouwd als een monument in de wereld van de Surinaamse Marroncultuur. Mensen respecteren u, kijken naar u op. Wie zijn de mensen naar wie u zelf opkijkt, die u zelf bewondert?

De mensen, waartegen ik opkeek en die ik bewonderde, zijn wijlen mijn vader en nog een paar andere oude mensen die helaas ook niet meer in leven zijn. Van hen leerde ik veel over de genees-kunde, de cultuur en de geschiedenis. De huidige gaanman (hoogste gezagdrager) van de Ndyuka Marrons, Gazon Matodja, is iemand die ik bewonder en voor wie ik groot ontzag heb, vanwege zijn wijsheid en vooral voor de waardige wijze waarop hij zich als persoon maar vooral als gaanman, handhaaft. Ook Nelson Mandela is voor mij een voorbeeldfiguur. Mahatma Ghandi is dat voor mij altijd geweest.

In 2000 werd u benoemd tot ‘kabiten’ (traditionele leider) van de Ndyuka in Nederland. Wat houdt deze functie in?

Als kabiten van de Ndyuka of Okanisi Marrons in Nederland ben ik de hoogste vertegenwoordiger van het traditionele gezag van de Ndyuka Marrons in Nederland. In traditioneel opzicht ben ik dus de leider van deze groep Marrons in Nederland. Samen met mijn mannelijke en vrouwelijke Basiya (assistenten) vormen wij de Raad van Kabiten en Basiya van de Okanisi in Nederland. (zie ook de website: www.maroons-suriname.com, onder Marron traditionele gezag: Raad van Kabiten en Basiya van de Okanisi in Nederland). Het doel van de Raad van Kabiten en Basiya van de Okanisi in Nederland is het voornamelijk volgens de traditie van de Ndyuka of Okanisi oplossing en/of ondersteuning bieden aan Marrons in zaken, die de Marronorganisaties in Nederland, gestructureerd volgens westers model, niet adequaat kunnen oplossen. De nadruk ligt hierbij op het oplossen van problemen volgens de Ndyuka traditie én het ondersteunen volgens deze traditie van individuen en/of groepen Marrons bij de uitvoering van diverse zaken die belangrijk zijn bij het verkrijgen en versterken van de Marron culturele identiteit. Een ieder die daaraan behoefte heeft kan een beroep doen op de Raad. De Raad heeft ook als doel, om op te komen voor het belang van de (Okanisi) Marrongemeenschap in Nederland (en in Suriname).

Sinds mijn aanstelling in 2000 als kabiten, versoepelde ik, namens de Raad, voor de Nederlandse Okanisi Marrongemeenschap een aantal zaken op het culturele vlak, ter verbetering van hun sociaal-maatschappelijke situatie. Zo is de Potibaáka (het officieel in de rouw zetten van een weduwe/ weduwnaar volgens de Ndyuka Marrontraditie) en de Puubaáka (het beëindigen van de officiële rouwperiode door middel van ceremoniën en rituelen volgens de Ndyuka Marrontraditie) in Nederland mogelijk gemaakt en zijn de ceremoniën en rituelen aangepast. Voorheen moesten mensen naar Suriname om deze te houden. Nu kunnen families desgewenst de Raad inschakelen om een Potibaáka en/of een Puubaáka in Nederland uit te voeren. Binnen de structuur van de Raad kan een basiya, in overleg, namens de kabiten c.q. de Raad handelingen uitvoeren bij gelegenheden die de Ndyuka Marrontraditie aangaan. Deze gevolgde werkwijze wierp vanaf de instelling van de Raad zijn vruchten af. De Raad treedt onder andere op bij geschillen, overlijdensgevallen, geboorterituelen, rituelen bij volwassenwording en bij huwelijksvoltrekking volgens de Marron traditie.

Onlangs organiseerde u een taalcursus Ndyuka, de eerste in zijn soort. Hoe moeilijk is het om Ndyuka te leren? Hoe kan Ndyuka worden vergeleken met Saamaka; wat zijn de belangrijkste verschillen en overeenkomsten?

Om te beginnen, het Ndyuka wordt in taalkundig opzicht ingedeeld in de categorie Surinaams Afro-Engelse groep; het Saamaka in de categorie Surinaams Afro-Portugese groep. Deze beide Afro-Surinaamse talen behoren tot de zogenoemde Creooltalen. Een Creooltaal is een taal die zich ontwikkelt in omstandigheden waar groepen mensen elkaar ontmoeten, die elkaars taal niet spreken en ook niet verstaan. Een hulptaal dus, ontstaan uit een business ofwel handelscontact, een Pidgin. De Ontstaans- geschiedenis en de ontwikkeling van deze twee talen gaat terug tot de zeventiende eeuw, toen Afrikaanse mensen door Europese slavenhandelaren in evangen-schap werden gehouden in de verschillende Slaven-depots in Afrika. Om met elkaar en met de slaven-handelaren te kunnen communiceren, ontstonden nieuwe talen, die in de loop van de geschiedenis zich ontwikkelden tot onder andere deze twee talen, het Ndyuka en het Saamaka. Het leren van het Ndyuka is niet moeilijker dan het leren van een willekeurige andere taal.

De Ndyuka Marrons kenden tot drie decennia terug geen schrijfcultuur en zij hebben daarom ook bijna geheel geen geschreven geschiedenis. In het verleden was zelfs Sranan tongo - de lingua franca van Suriname -, geen reguliere schrijftaal, behalve als het ging om kerkboekvertalingen. Tot midden jaren tachtig van de vorige eeuw bestond ook geen officiële schrijfwijze van Sranan tongo. Een ieder kon op zijn eigen wijze in Sranan tongo schrijven. Het was de toenmalige minister van Onderwijs, drs. Alan Li Fo Sjoe, die hierin verandering bracht. Hij installeerde een commissie van taalkundigen die een officiële schrijfwijze van de Sranan tongo vervaardigde. Desondanks blijven de meeste mensen nog steeds Sranan tongo op hun eigen manier schrijven. Ook voor het Ndyuka bestaat geen officiële schrijfwijze. Velen gebruiken gewoon hun eigen schrijfwijze.

Om het Ndyuka correct te kunnen schrijven, is het noodzakelijk dat men het Ndyuka alfabet goed leert. In 2003 publiceerde ik een artikel ‘Writing in Ndyuka tongo, a Creole language in South America’ (zie www.maroonssuriname.com, onder Taal), waarin het juiste Ndyuka alfabet en de correcte schrijfwijze staat.

Stichting Sabanapeti publiceert een tijdschrift, Siboga, met artikelen die door u worden geschreven. De opbrengsten van dit tijdschrift gaan naar projecten voor Marron-gemeenschappen in Suriname. Wat voor type projecten financiert Sabanapeti?

De projecten die het Marroninstituut, stichting Sabanapeti via subsidies financiert, zijn kleinschalige duurzame ontwikkelingsprojecten met als doel het bevorderen van de economische zelfstandigheid en het waarborgen van de sociaal-economische omstandigheden en het lichamelijk en geestelijk welzijn van de mensen. Wij realiseerden een aantal projecten voor vrouwen, zoals een pinda-dopmachine-, cassavemolen-, naaimachine- en computerproject. Ook andere algemene projecten, zoals een houtbewerkingsproject en een woning-bouwproject (zie www.maroonssuriname.com). Een jaarlijks terugkerende project vanaf 2002 is het schooltasproject 'Help een kind in Suriname het nieuwe schooljaar goed te starten', waarbij voordat het nieuwe schooljaar in oktober begint, aan circa zeventig kinderen uit kansarme gezinnen (van verschillende etnische afkomst) in Paramaribo en omgeving een volle schooltas met schoolspullen wordt geschonken, zodat zij normaal onderwijs kunnen volgen.

In het algemeen, wat zijn de grootste behoeften van het onderwijssysteem in het Surinaamse binnenland?

Het binnenland van Suriname krijgt tot nu toe tweederangs onderwijs. Een groot aantal van de leerkrachten op de scholen in het binnenland is onbevoegd en laaggeschoold. Zij kregen geen onderwijsopleiding slechts een stoomcursus van enkele weken. Hoe zeer zij ook hun best doen, zij zijn niet in staat om op niveau les te geven. Ook worden de scholen onvoldoende voorzien van de nodige leermiddelen. Het resultaat liegt er dan ook niet om: het slagingspercentage van Marron-kinderen in het binnenland is laag bij de toelatingsexamens voor de middelbare scholen in Paramaribo en andere plaatsen, die wel over middelbare scholen beschikken, en waar kinderen uit het binnenland, als zij slagen, naar toe moeten. Bevoegde leerkrachten zijn moeilijk te vinden voor de scholen in het binnenland. Je kan de bevoegde leerkrachten dit ook niet kwalijk nemen, omdat de voorzieningen in het binnenland (bijvoorbeeld onderwijzerswoningen) ontoereikend zijn. Vaak worden de leerkrachten als het ware in het binnenland gedropt en voor een lange periode aan hun lot overgelaten. De overheid moet eerst voor een goede infrastructuur zorgen, goede onderwijzers-woningen bouwen en ook zorg dragen voor een goede salariëring. Als een onderwijzer in Paramaribo relatief beter verdient dan zijn collega in het binnenland, dan wil geen bevoegde leerkracht naar het binnenland. Aan al deze scheve toestanden moet de overheid een eind maken. Zij moeten een uniform onderwijs-systeem invoeren, onderwijs op gelijk niveau door het hele land. Onderwijs is immers een recht, geen gunst van een overheid.

Na de Surinaamse verkiezingen van 2005 schreef u in Siboga een artikel over het succes van de Marronpartijen. U prees de nominaties van de drie Marron-vertegenwoordigers in de Surinaamse regering. Tegelijkertijd deed u een waarschuwing, namelijk dat deze overwinning – het was de eerste keer dat Marrons zo breed waren vertegenwoordigd in de Surinaamse politiek – niet voor vanzelfsprekend gehouden moest worden. U drong er bij Marronpolitici op aan om trouw en gefocust te blijven werken aan het behoud van hun positie. Helaas zien de verkiezingen van 2010 er niet bijzonder goed uit voor de Marronpartijen. Wat zijn uw gedachten hierover?

De situatie waarin de Marron partijen, verenigd in de A Combinatie zich onlangs manoeuvreerden, waardoor zij uitgesloten zijn voor deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2010 in maar liefst drie kiesdistricten, Paramaribo, Wanica en Para, is het ergste wat zij de gemeenschap van het binnenland maar konden aandoen. Juist in deze tijd, waarin de gemeenschap van en uit het binnenland bewust is van het belang van een eigen vertegenwoordiging in het parlement en in de regering, is de situatie waarin de mensen, die als politieke leiders optreden, de A combinatie heeft gebracht, een harde klap in het gezicht van de achterban. Wat de feitelijke oorzaak is, wat tot deze dramatische situatie leidde, weet ik niet. Ik hoor allerlei geruchten en verdachtmakingen. Eén ding is voor mij zeker: Het gekibbel van de leiders en adviseurs van de drie partijen in de A Combinatie ging niet om het belang van het volk van het binnenland, dat zij zeggen te vertegenwoordigen.

Tijdens een bijeenkomst van kabiten en basiya met de leiders van de drie partijen in de A Combinatie op 6 april 2007 op Diitabiki, waarbij ik ook aanwezig was en als kabiten het woord voerde, riep de vergadering de drie partijen unaniem op om vóór de verkiezingen van 25 mei 2010 samen te smelten tot één partij. Deze oproep blijkt nu aan dovemansoren te zijn gericht. Had men toen geluisterd, dan had deze miskleun naar alle waarschijnlijkheid niet plaatsgevonden. Het is jammer, want wat voor een kritiek je ook mag hebben op de A Combinatie, de deelname van de A Combinatie, dus de Marrons als partij of combinatie van partijen, aan de regering, heeft zijn vruchten afgeworpen. Verschillende zaken zijn in het binnenland gerealiseerd, die niet gerealiseerd zouden zijn, als mensen van het binnenland niet als partij of combinatie van partijen in de regering zouden zitten. Men kan nu wel roepen dat de uitgevoerde plannen afkomstig zijn uit vorige regeerperiodes, waarin de A Combinatie geen zitting had. Zelfs als dat zo is, dan toch heeft de A Combinatie gepresteerd. Plannen maken en plannen uitvoeren zijn namelijk twee verschillende dingen. Dat zagen wij al. Vanaf de periode van de autonomie van Suriname tot ver na de onafhankelijkheid – tot en met zelfs de regering van voordat de A Combinatie in de regering kwam, werden vijf- en tienjarenplannen geschreven, waarvan, ook als er plannen voor de ontwikkeling van het binnenland in waren, die nooit zijn uitgevoerd. Anders was het binnenland al ontwikkeld.

Bovendien deden de mensen, die voor de A Combinatie voor het eerst regerings-verantwoordelijkheid droegen, dus ministers werden, absoluut niet onder voor hun collega’s van de andere partijen. Als je bedenkt dat zij, in tegenstelling tot die collega’s, geen feedback konden krijgen van partijgenoten met al eerder opgedane ministerservaring of van deskundigen, waarover de andere partijen wel beschikken, dan hebben zij het niet slecht gedaan. Het is daarom jammer dat de A Combinatie zelf de veroorzaker is van de huidige situatie. Ik hoop in ieder geval, dat de mensen van de A Combinatie, in de kiesdistricten waar de A Combinatie wel mag meedoen, als één man, alles op alles zullen zetten om zoveel mogelijk zetels te behalen. Opdat de combinatie tenminste het aantal van vijf zetels, dat zij bij de verkiezingen van 2005 behaalden, kunnen behouden.

Zo bekend als u bent, heeft u er ooit eens over nagedacht om zelf ook de politiek in te gaan? Waarom wel, of niet?

Ik sloot mij op mijn veertiende jaar in 1969 aan bij de Marron politieke partij van toen, de PBP. Ik was het jongste lid. Ik had dus al op jonge leeftijd een politieke ambitie en wilde volks-vertegenwoordiger worden van het binnenland in het parlement. Ik liep mee met de oudere politici van de partij, zoals Bill Pryor, George Leidsman, Jarrien Gadden, Themar Strijder, enzovoort. Na de verkiezingen van 1969 werd Bill Pryor gekozen als voorzitter van de partij. Jarrien Gadden voelde zich gepasseerd. Gadden heeft toen op slinkse wijze, zonder medeweten van de andere leden én met medewerking van zijn guru, de advocaat en leider van de VHP, Jagernath Lachmon, op papier een eigen bestuur gevormd. Hij benoemde zichzelf tot voorzitter van dit bestuur en eigende zich de PBP juridisch toe. Hij verbood daarna het door de leden gekozen bestuur onder leiding van Pryor, om nog langer de naam PBP te gebruiken. Zo zijn wij genoodzaakt om in 1970 (correctie,1973) een nieuwe Marron partij op te richten, BEP. Ik was medeoprichter van deze partij. Voor de verkiezingen van 1977 werd ik voorgedragen als kandidaat van de partij voor de kieskring Boven-Marowijne. Maar ik was toen voor de kieswet te jong, je moest minstens 23 jaar oud zijn. Een van de hoofdpropagandisten, de heer Paulus Dansiman, kreeg om die reden de opdracht om opzoek te gaan naar een kandidaat, die wel gekandideerd mocht worden. Hij stelde Caprino Alendy voor als kandidaat. Caprino wilde in eerste instantie niet, omdat hij van mening was, dat hij niet over de benodigde politieke ervaring beschikte. Ik zegde hem mijn volle steun toe en vervolgens accepteerde hij het kandidaatschap. Alendy begeleidde ik, voor zover ik daartoe in staat was, in 1977. Ik was tevens campagneleider van de partij in de kieskring Boven-Marowijne. Je moet Caprino Alendy nu zien, hij is een volleerd politicus, los van de fouten die hij mede heeft gemaakt en die geleid hebben tot uitsluiting van deelname van de A Combinatie aan de verkiezingen in drie kiesdistricten.

Bij de geplande verkiezingen van 1980 trad ik wel als adviseur op in de kieskring Beneden-Marowijne. Ofschoon ik toen wel de kiesleeftijd had en dus gekandideerd kon worden, was ik hiervoor niet meer beschikbaar. Die verkiezingen gingen ook niet door. Bouterse en zijn trawanten pleegden een coup en Suriname werd een militaire dictatuur. Pas in 1987 werden voor het eerst weer verkiezingen gehouden in Suriname. Nee, ik heb vanaf 1979 geen enkele partij politieke ambitie meer.

10 Oktober 2010 zal de Dag van de Marrons voor het eerst worden gevierd als nationale feestdag in Suriname. In welke zin zullen de festiviteiten dit jaar anders zijn dan in voorgaande jaren, toen de Dag van de Marrons nog geen officiële feestdag was?

Ik was niet persoonlijk bij de viering van de Dag van de Marrons in Suriname, toen president Venetiaan verklaarde en de zekerheid gaf dat de Dag van de Marrons een nationale dag wordt. Ik heb wel zijn verklaring gehoord via filmopnames van deze viering en daarover gelezen in de pers.

Ik ben door de verklaring zeer ontroerd, omdat de Dag van de Marrons mijn geesteskind is, ik ben de grondlegger ervan. Het doet mij nogmaals, goed om te zien dat wat je vandaag in je eentje doet, morgen door duizend anderen kan worden overgenomen en voortgezet. Ik ben ook blij dat het president Venetiaan is, die deze verklaring gaf, omdat Ronald Venetiaan één van mijn adviseurs was in de tijd, toen ik het initiatief nam voor de instelling van de Dag van de Marrons. Bij de eerste viering van deze dag in 1974 vertegenwoordigde hij als minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, samen met de toenmalige vice-premier en minister van Districtsbestuur en Decentralisatie, Olton van Genderen, de regering. Dus nogmaals, ik ben blij met deze verklaring. Maar persoonlijk houd ik rekening met het feit dat een nationale dag niet hetzelfde hoeft te zijn als een algemene vrije dag. Dus ik weet eigenlijk niet wat de verklaring van de president, dat de Dag van de Marrons een nationale dag wordt, concreet inhoudt. Het is mij ook niet bekend of de organisatoren van de Dag van de Marrons in Suriname, daarna nog in overleg zijn getreden met de president. Ik had daartoe wel geadviseerd.

Er zijn ook Marrongemeenschappen in andere landen, zoals Jamaica, Colombia en Venezuela. Hoe nauw zijn de banden tussen de Marrongemeenschappen van Suriname en die uit andere landen in de regio?

Op dit gebied moet nog werk verzet worden, vooral vanuit Suriname en Frans-Guyana, maar ook vanuit de genoemde landen. In 1992 organiseerde het Smithsonian Institution in Washington (USA) een Maroon leaders conference, waarbij Marronleiders waren uitgenodigd uit Suriname, Frans-Guyana, Jamaica, Colombia, enzovoort. Ik vertegenwoordigde de Marrons in Nederland. Bij de slotmeeting sprak men de wens uit dat Smithsonian nogmaals zo’n meeting zou organiseren, maar daarvan is niets terechtgekomen.

Laatst aangepast op dinsdag, 08 februari 2011 09:20
 

Gegevens


Postbus 3024
3502 GA Utrecht
The Netherlands

Tel: 030-2943402
Fax: 030-2938758

K.v.K. S184409
Bank: ING6217534

siboga@maroons-suriname.com